 |
 |
Het dorp Ebly
De smeltovens van Mellier
Het molendal van de Géronne
Het dorpje Léglise
Thibessart
Volaiville
|
 |
De smeltovens van Mellier
Ergens tussen de smeltoens van Chimay en van Mellier rijdt een koetswagen. Ze brengt François de Gozée, heer van Macquenoise tot de plek waar hij de hertog van Arenberg moet ontmoeten in zijn jachthuis van Mellier.
-Goede reis gedaan, mijnheer de Gozée?
-Ach, Monseigneur, de weg is lang tot bij U! maar de reis verliep zonder problemen. Ik ben zeer verheugd Uw wens tegemoet te komen, en the dor hout van Uw domein op zijn best te kunnen gebruiken. Het kan beter benut worden dan het zomaar te laten liggen.
-Wanneer denkt U de werken aan te vangen? Uw brieven zijn in dat opzicht zeer aanmoedigend, en ik ben er zee verheugd om.
-Zo gauw het kan! Van af het ogenblik ik geinstallerd ben in het jachtpaviljoen dat U zo goed waart te mijner beschikking te stellen, zal ik waarschijnlijk reeds vanaf morgen de manschappen ontvangen die ik heb laten aanwerven. De eerste taak zal er in bestaan een dijk op te richten rond de voorziene vijver. Tevens zullen mijn mensen de plek waar deze zich zal bevinden moeten zuiveren van alle hakhout. Als ik de houtbewerkers zal gevonden hebben om de eerste werken aan te vangen, zullen we de waterraders opstellen: een voor de “bocard”, een voor de luchtaanvoer tot de oven, een voor de zuivering van het smeltijze. En vergeten we het personeel niet, om het machinewerk te vervaardigen die de waterniveau’s te regelen heeft. Weliswaar is het in onze landbouwgebieden niet eenvoudig werkkrachten te vinden, wanneer iedereen zijn tijd nodig heeft voor de oogstbezigheden.
-De kolenbranders die ik in de winter zal laten komen, gaat François de Gozée verder, zullen aan de landarbeiders, die dan vrij zijn van hun werk op de akker, de technieken aanleren hoe de houtskool te vervaardigen. Er moet een ruime reserve zijn vooraleer men met de eerste gietoperaties kan beginnen. Mijn vriend en vennoot Pierre Coens zal meer bepaald de opstelling van de hooghoven bewerken: dat stuk van de inplanting moet eigenlijk het succes van de hele onderneming bepalen.
Herfst 1616.
De gebouwen staan er nu voor het grootste deel. De grote houtskoolhal heeft een dak, en een grote hoeveelheid houtskool is er reeds opgestapeld. De vijver is reeds half onder water. De twee ovenbazen werken duchtig met hun ploegen arbeiders, want de hoogovens moeten onberispelijk zijn qua vorm en structuur, en moeten kunnen werken naar de meest beproefde technieken.
1617: na enkele proeven, die reeds voldoening gaven wordt nu de eerste gietoperatie van het ijzer uitgevoerd. De hoofdman heeft een eerste metaalstaaf gegoten, en laat ze afkoelen in een 'lingotière'. Hij test ze en keert naar de ovenbazen terug: Heren, hier zullen we een kwaliteitsproduct krijgen. De erts is van uitstekende kwaliteit, en de oven laat ons het beste hopen voor de toekomst. Men heeft nu het: meesterschap over de werkzaapheden: 1400°, een goede en evenwichtige mengeling van erts, houtskool en 'castine', dit ingredient dat toelaat de tempuratuur van het smeltproces te regelen. De toekomst zal de vooruitzichten bevestigen. Maar een incident duikt op: de vijver is niet groot genoeg om de machinerie met voldoende stuwkracht te bevoorraden: de gietoperaties dienen gestaakt te worden, en het gietijzer zal van naburige smeltovens aangebracht worden. Er blijven de afwerkingsoperaties waarbij het gietijzer omgevormd wordt tot staal. De jaren gaan voorbij. Verscheidene eigenaars volgen elkaar op: Henri Roussel, Dandemiaux, Hacher, Claude de Chamissot.
1724. Een bankier uit Villers-sur-Semois wordt eigenaar: Henri Henriquez. Hij sterft in 1730. Zijn weduwe huwt met de machtige industrieel, de hertog van Looz-Corswarem, reeds eigenaar van verscheidene smeltovens.
-Mijnheer mijn echtgenoot, wij kunnen misschien de vijver vergroten. Zin waterreserve zal dan kunnen voldoen om de ovens terug op gang te brengen. Zo gezegd, zo gedaan in 1758. het wordt het hoogtepunt van de activiteit van de smeltovens van Mellier gedurende een halve eeuw.
Maar laat ons niet vergeten dat de ovens, een eeuw vroeger opgericht, het dor hout van het woud benuttigden. Deze tijd is nu voorbij. Men heeft de bomen moeten vellen, eerst goed uitgerekend, maar hoe langer hoe intensiever. De ovens van Mellier verbruiken ongeveer 650000 steres pers jaar! Dit worden zeer uitgestrekte oppervlakten woud die jaarlijks omgehakt worden. En deze activiteit in Mellier is niet de enige in de streek! Wij hebben nog Mellier-Bas, Rulles, twee ovens in Habay, en dan nog de bevolking die het brandhout benut voor eigen verwarming. Het woud is een woestijn geworden. In de nabijheid van de streek woedt nu de franse revolutie. Rijk zijn, en edelman, zoals de familie de Looz-Corswarem, is uit den boze, en nog erger, duitstalig zijn. Mellier moet zijn deuren sluiten onder druk van het frans embargo. Daarbij komt nog de concurrentie van de steenkool, en van de komende overheersing van de bekkens van Luik en Charleroi. In 1805 luidt de doodsklok voor Mellier. Deze smeltovens en gieterijen zullen diepe littekens achterlaten in het woudlandschap: de intensieve benutting van het woud laat dit laatste schraal en arm. Het is slechts een herinnering meer van wat het was, dat woud dat wij nu terug bewonderen bij het begin van de 21e eeuw. In 1854 werd de 'boswet' uitgevaardigd met het doel de wouden te herstellen, meer in het bijzonder door introductie van een bij ons onbekende boomsoort: de epicea!
In 1856, in een ultieme poging en activiteit te bewaren in de streek, werden twee kalkovens opgesteld te Mellier. Kalk was in de Ardennen een goed middel om de bodem wat vruchtbaarder te maken. |
 |