Habay ▪ |
|
Anlier
|
De smederijen.Vanaf de 16e eeuw begon het dal van de Rulles talrijke industriëlen aan te trekken die er de metaalactiviteit wilden ontwikkelen. Twee overwegende plaatsfactoren spelen hierbij een rol: het water, dat de waterkracht leverde en het bos dat houtskool kon produceren, een uitstekende brandstof die voor de fabricatie van ijzer is vereist. Vijf fabrieken werden bebouwd op korte tijd op nauwelijks enkele kilometers afstand van elkaar: de smederijen genoemd Forges du Prince, Forges du Pont d'Oye, Forges du Châtelet, Forges de Bologne en de Forges de la Trapperie. Eens aangestoken, werd het vuur aangewakkerd door enorme blaasbalgen die door waterkracht werden aangevoerd. Na het aansteken van het vuur, laadde men de hoogoven via de 'gueulard', in afwisselende lagen van erts, houtskool en 'calistène', een kaalsteen, die het smelten vergemakkelijkt. Eens gelanceerd, werkte de hoogoven dag en nacht gedurende lange maanden. Zodra het ijzer in fusie was (na twee of drie dagen), ging men tot de eerste gietstroom over. Het ruwijzer stroomde weg op het niveau van de bodem die door nat gemaakt zand werd gevormd. Een greppel leidde het naar een holte, een soort gietvorm, die het mogelijk maakte om na afkoeling een grote staaf ruwijzer te verkrijgen: de zogenaamde 'gueuze', die van zeshonderd tot duizend kilo kon wegen. Deze massa ruwijzer moest nog in een verwerkingsplaats, ter plaatse of elders in het dal, behandeld worden, ten einde ijzer of staal te krijgen.zodra men min of meer gezuiverd ijzer verkreeg, werd het gebonden door het hameren van de 'maka', een grote machinale hamer, die het overschot van scories verwijderde en de ijzerdeeltjes aan elkaar bond. Na deze verschillende verrichtingen, verkreeg men aldus een eindproduct dat voor de metaalconstructie bestemd is. Het product van de fabrieken van het bekken van de Rulles was van voortreffelijke kwaliteit en dus zeer goed bekend. Dit 'ijzer van Habay' zoals men de ban aanwees, werd geëxporteerd naar Luik, maar ook naar Frankrijk en Duitsland. Deze industrie droeg bij tot de rijkdom en bekendheid van de meesters van de meesters van smederijen, die prachtige kastelen bouwden en adellijke titels ontvingen. Deze woonplaatsen vervielen echter samen met de ondergang van de smederijen, die aanving vanaf het eind van de 18e eeuw en soms het faillissement van de eigenaars ten gevolge had, zoals dat van de markies de Bost Moulin en zijn echtgenote, Louise de Lambertye, laatste markiezin van Pont d'Oye, waaraan de herinnering onder de bevolking erg levendig is gebleven.
|
|
Agenda van de festiviteiten |
Activiteiten |
Feesten |
Geschiedenis Gastronomie | Overnachting | Nuttige links | Contact © La Maison du tourisme du Pays de la Forêt d'Anlier | 2005 Maison Bourgeois, Grand place, 3, 6840 Neufchâteau. +32 (61) 27 50 88 | info@foret-anlier-tourisme.be |